Wat is de interventie?
Bloedverdunners, of antistollingsmiddelen, zijn geneesmiddelen die de bloedstolling remmen. De naam “bloedverdunners” is enigszins misleidend: het bloed wordt niet dunner, maar het vermogen om bloedstolsels te vormen wordt verminderd. Deze middelen worden gebruikt wanneer er een verhoogd risico bestaat op trombose, longembolie, herseninfarct of andere stolselgerelateerde complicaties. Voorbeelden van indicaties zijn boezemfibrilleren, doorgemaakte trombose of longembolie, bepaalde hart- en vaatziekten, kunsthartkleppen en sommige situaties na een operatie of ziekenhuisopname.
Er zijn verschillende groepen antistollingsmiddelen. Bloedplaatjesremmers, zoals acetylsalicylzuur (aspirine) en clopidogrel, remmen vooral de activiteit van bloedplaatjes. Anticoagulantia, zoals laagmoleculairgewichtheparine, vitamine K-antagonisten en directe orale anticoagulantia (DOAC’s), remmen onderdelen van de stollingscascade. In de praktijk worden deze middelen gekozen op basis van de medische indicatie, het tromboserisico, het bloedingsrisico, nierfunctie, leeftijd, comorbiditeit en comedicatie.
Antistollingsmiddelen kunnen ernstige bijwerkingen geven, met name bloedingen. Dit kan variëren van blauwe plekken, bloedneuzen en maag-darmklachten tot ernstige interne bloedingen. Het zelfstandig starten, combineren of verhogen van antistollingsmiddelen wordt daarom afgeraden. Gebruik hoort plaats te vinden op medische indicatie en onder begeleiding van een arts en een apotheker.
Wat is bekend over het werkingsmechanisme van de interventie?
Bij post-COVID worden verstoringen in vaatfunctie, endotheelactivatie, bloedplaatjesactivatie, ontsteking en stolling genoemd als mogelijke onderdelen van het ziekteproces. In onderzoek zijn bij sommige patiënten afwijkingen gevonden die passen bij een verhoogde stollingsactiviteit of aanwezigheid van fibrineachtige deeltjes, vaak aangeduid als “microclots”. Over de betekenis hiervan bestaat nog discussie. Niet alle onderzoekers beschouwen deze deeltjes als klassieke bloedstolsels, en het is nog onvoldoende duidelijk of zij oorzaak, gevolg of bijkomend verschijnsel van post-COVID zijn.
De theoretische gedachte achter antistolling bij post-COVID is dat het remmen van bloedplaatjes of stollingsfactoren de vorming of aanwezigheid van kleine stolselachtige structuren zou kunnen verminderen en daardoor mogelijk weefseldoorbloeding, zuurstofvoorziening of klachten zoals vermoeidheid, inspanningsintolerantie en cognitieve klachten zou kunnen beïnvloeden. Deze hypothese is biologisch plausibel, maar vormt op zichzelf geen bewijs voor klinische werkzaamheid.
Antistolling grijpt niet rechtstreeks aan op andere mogelijke mechanismen van post-COVID, zoals autonome ontregeling, immuunactivatie, virale persistentie, mitochondriale verstoring, mestcelactivatie. Het eventuele effect kan daarom, als het bestaat, waarschijnlijk alleen gelden voor een subgroep van patiënten bij wie stollings- of vaatprocessen een relevante rol spelen.
Wat is er bekend over het effect?
Post-COVID
Er is op dit moment geen overtuigend bewijs dat antistollingsmiddelen of bloedplaatjesremmers post-COVID-klachten verminderen wanneer zij routinematig worden ingezet bij patiënten zonder reguliere medische indicatie voor antistolling. Routinematige antistolling bij post-COVID zonder aanvullende risicofactoren op basis van de huidige kennis niet wordt aanbevolen. Antistolling kan wel geïndiceerd zijn bij individuele patiënten met bijvoorbeeld doorgemaakte veneuze trombo-embolie, actieve maligniteit of andere duidelijke tromboserisicofactoren.
Het bewijs bij post-COVID bestaat voornamelijk uit hypothesevormende studies, kleine observationele studies, casusreeksen en preprints. In een niet-gerandomiseerde studie naar zogenoemde triple antithrombotic therapy, waarin onder andere bloedplaatjesremmers en anticoagulantia werden gecombineerd, werden verbeteringen in symptomen gerapporteerd. Door het ontbreken van randomisatie, blindering, controlegroep en systematische veiligheidsvergelijking kan hieruit echter geen betrouwbare conclusie over werkzaamheid worden getrokken. Combinatiebehandeling met meerdere antistollingsmiddelen verhoogt bovendien het bloedingsrisico.
Een real-worldanalyse waarin patiënten met post-COVID onder andere anticoagulantia kregen, vond geen duidelijke klinische verbetering die aan de anticoagulante behandeling kon worden toegeschreven. Een studie naar het bestaande gebruik van orale anticoagulantia ten tijde van acute COVID-19 vond evenmin aanwijzingen dat dit het risico op latere post-COVID verminderde. Deze bevindingen ondersteunen voorzichtigheid bij het veronderstellen van een beschermend of therapeutisch effect.
Voor acetylsalicylzuur (aspirine) is vooral onderzoek gedaan in de acute fase van COVID-19. Bij ernstig zieke COVID-19-patiënten op de intensive care werd geen duidelijk effect gevonden op de behoefte aan orgaanondersteuning op korte termijn, maar in sommige analyses werd wel een verbeterde uitkomst op langere termijn gerapporteerd. Deze resultaten gaan over acute ernstig zieke COVID-19-patiënten en kunnen niet zonder meer worden vertaald naar post-COVID.
Samenvattend: antistollingsmiddelen zijn geen bewezen behandeling voor post-COVID. Het gebruik kan alleen worden overwogen wanneer er een reguliere medische indicatie bestaat of binnen goedgekeurd klinisch onderzoek. Vanwege het risico op bloedingen en interacties met andere geneesmiddelen wordt zelfstandig gebruik afgeraden.
QVS
Er zijn geen klinische studies gevonden waarin antistollingsmiddelen zijn onderzocht als behandeling voor Q-koortsvermoeidheidssyndroom (QVS). Hoewel vermoeidheid en inspanningsintolerantie kunnen overlappen met post-COVID, is er geen bewijs dat antistolling de klachten bij QVS vermindert. De interventie is onvoldoende onderzocht bij deze doelgroep.
Chronische Q-koorts
Chronische Q-koorts is een persisterende infectie met Coxiella burnetii en vraagt om specifieke medische behandeling en monitoring. Antistollingsmiddelen kunnen bij sommige patiënten met chronische Q-koorts om andere medische redenen nodig zijn, bijvoorbeeld bij bepaalde cardiovasculaire aandoeningen of na vaatcomplicaties, maar zij behandelen de infectie zelf niet. Er is geen bewijs dat antistolling als interventie werkzaam is tegen chronische Q-koorts of de bijbehorende klachten.
Klachten na vaccinatie
Er zijn geen gecontroleerde klinische studies gevonden die antistollingsmiddelen onderzoeken als behandeling voor langdurige klachten na COVID-19-vaccinatie. Bij zeldzame acute stollingscomplicaties na vaccinatie, zoals vaccine-induced immune thrombotic thrombocytopenia (VITT), gelden specifieke medische richtlijnen. Dit betreft echter een andere, acute en zeldzame aandoening en is niet hetzelfde als langdurige klachten na vaccinatie. Voor langdurige klachten na vaccinatie is de interventie onvoldoende onderzocht.
Toegankelijkheid wanneer van toepassing
Antistollingsmiddelen zijn geneesmiddelen en worden in Nederland gebruikt op voorschrift van een arts, met uitzondering van sommige lage doseringen acetylsalicylzuur die ook vrij verkrijgbaar kunnen zijn. Vrije verkrijgbaarheid betekent echter niet dat gebruik zonder medische begeleiding veilig of passend is.
Bij gebruik van antistollingsmiddelen is medicatiebewaking belangrijk, vooral bij combinatie met andere bloedverdunners, NSAID’s, antidepressiva, corticosteroïden, alcoholgebruik, maag-darmproblemen, nierfunctiestoornissen of een voorgeschiedenis van bloedingen. Sommige middelen vereisen controle via de trombosedienst; andere middelen vereisen periodieke controle van onder meer nierfunctie en bijwerkingen.
Voor post-COVID, QVS, chronische Q-koorts of langdurige klachten na vaccinatie bestaat geen algemene vergoedingsindicatie voor antistolling als experimentele symptoombehandeling. Wanneer er een reguliere medische indicatie is, valt de vergoeding onder de gebruikelijke farmaceutische zorgvoorwaarden.
Bronnen en wetenschappelijk bewijs
- Farmacotherapeutisch Kompas. Acetylsalicylzuur. Zorginstituut Nederland. Geraadpleegd juni 2026.
- C-support. Meer informatie over antistolling bij post-COVID. Geraadpleegd juni 2026.
- C-support. Wat kan het effect zijn van het slikken van bloedverdunners? Geraadpleegd juni 2026.
- REMAP-CAP Investigators. Effect of antiplatelet therapy on survival and organ support-free days in critically ill patients with COVID-19: a randomized clinical trial. JAMA. 2022;327(13):1247-1259.
- Laubscher GJ, et al. Treatment of Long COVID symptoms with triple anticoagulant therapy. Preprint. 2023.
- Jamoulle M, et al. Anticoagulant and antiviral therapy in Long COVID: a real-world cohort analysis. 2024/2025.
- Frost F, et al. The use of oral anticoagulation at the time of acute COVID-19 infection and risk of long COVID/post-acute sequelae. Journal of Thrombosis and Thrombolysis. 2025.
- Fox T, et al. Reported particles are not blood clots, so anticoagulant drugs are not expected to dissolve them. 2024.
- Kruger A, et al. Vascular pathogenesis in acute and long COVID. 2024.
- World Health Organization. Clinical management of COVID-19 and living guidance for post COVID-19 condition. Geraadpleegd juni 2026.