Skip to main content

Antidepressiva/SSRI

Versie: 02-06-2026 

Wat is de interventie? 

Antidepressiva zijn geneesmiddelen die primair worden voorgeschreven bij depressieve stoornissen en angststoornissen, maar sommige middelen worden ook gebruikt bij andere indicaties, zoals neuropathische pijn, slaapproblemen of migraineprofylaxe. Belangrijke groepen zijn selectieve serotonineheropnameremmers (SSRI’s; bijvoorbeeld fluvoxamine, fluoxetine, citalopram, escitalopram, sertraline en paroxetine), serotonine-noradrenalineheropnameremmers(SNRI’s; bijvoorbeeld venlafaxine of duloxetine) en tricyclische antidepressiva (TCA’s; bijvoorbeeld amitriptyline of nortriptyline). 

Binnen de context van post-infectieuze aandoeningen is de meeste aandacht uitgegaan naar SSRI’s. SSRI’s verhogen de beschikbaarheid van serotonine door remming van de serotonineheropname. Sommige SSRI’s, met name fluvoxamine, hebben daarnaast mogelijke immunomodulerende eigenschappen, onder andere via sigma-1-receptoractiviteit. Deze biologische rationale betekent niet automatisch dat SSRI’s bewezen werkzaam zijn bij post-COVID, QVS, chronische Q-koorts of klachten na vaccinatie. Het gebruik moet altijd worden afgewogen tegen bijwerkingen, interacties, contra-indicaties, het risico op onttrekkingsklachten bij afbouwen en eventuele bestaande indicaties zoals depressie of angst. 

Wat is bekend over het werkingsmechanisme van de interventie? 

De hypothese voor SSRI’s bij post-COVID en verwante post-acute infectieuze syndromen (PAIS) is vooral gebaseerd op interacties tussen het serotonerge systeem, immuunactivatie, neuro-inflammatie, autonome regulatie en het kynureninepad. Serotonine is betrokken bij stemming, slaap, pijnmodulatie, gastro-intestinale functies, cognitieve processen en immuunregulatie. Bij post-COVID zijn in mechanistische studies verstoringen beschreven in tryptofaan-, serotonine- en kynureninemetabolisme. Een invloed van SSRI’s op deze routes is biologisch plausibel, maar de mate waarin dit zich vertaalt naar klinisch herstel verschilt per middel, patiëntengroep en uitkomstmaat. 

Fluvoxamine is binnen deze groep extra relevant omdat het naast serotonineheropnameremming ook sigma-1-receptoragonisme vertoont. Dit wordt in de literatuur in verband gebracht met regulatie van cellulaire stressresponsen en ontstekingsroutes. Voor andere antidepressiva, zoals TCA’s en SNRI’s, ligt de mogelijke toepassing bij PAIS vooral op symptomatische behandeling van comorbide depressie, angst, pijn of slaapklachten, niet op een bewezen ziekte-modificerend effect op het onderliggende post-infectieuze syndroom. 

Wat is er bekend over het effect? 

Post-COVID 

De stand van bewijs is in ontwikkeling. Tot 2025 bestond het klinische bewijs vooral uit mechanistische hypothesen, observationele studies en een ongecontroleerde vragenlijststudie bij 95 post-COVID-patiënten die SSRI’s gebruikten. In deze studie rapporteerde 63,4% een redelijk goede tot sterke afname van klachten en 26,3% een matige respons; vooral brain fog en sensorische overbelasting verbeterden, gevolgd door vermoeidheid en dysautonomie. De belangrijkste beperkingen zijn het ontbreken van randomisatie, een placebogroep en geblindeerde uitkomstmeting, waardoor placebo-effect, selectie en regressie naar het gemiddelde niet kunnen worden uitgesloten. 

De meest relevante nieuwe studie is een gerandomiseerde, placebogecontroleerde adaptieve trial uit 2026 bij 399 volwassenen in Brazilië met vermoeidheid die ten minste 90 dagen na een bevestigde SARS-CoV-2-infectie aanhield. Deelnemers kregen fluvoxamine 100 mg tweemaal daags, metformine 750 mg tweemaal daags of placebo gedurende 60 dagen. De primaire uitkomst was verandering op de Fatigue Severity Scale (FSS). Fluvoxamine gaf op dag 60 een statistisch significante verbetering van vermoeidheid ten opzichte van placebo (gemiddeld verschil -0,43; 95% credible interval -0,80 tot -0,07), met aanhoudend effect op dag 90 (gemiddeld verschil -0,58; 95% credible interval -0,98 tot -0,16). Ook kwaliteit van leven verbeterde. Metformine liet geen duidelijk voordeel zien. Ernstige bijwerkingen waren zeldzaam; gerapporteerde bijwerkingen kwamen in deze studie minder vaak voor bij fluvoxamine dan bij placebo of metformine. 

Deze trial is een belangrijk nieuw signaal voor fluvoxamine bij post-COVID-gerelateerde vermoeidheid, maar rechtvaardigt nog geen brede conclusie voor alle SSRI’s of alle post-COVID-symptomen. De follow-up was beperkt tot 90 dagen, de primaire uitkomst was zelfgerapporteerde vermoeidheid, en de studie was gericht op vermoeidheid, niet op PEM, POTS, cognitieve klachten, pijn, reuk/smaak, ademhaling of objectieve inspanningscapaciteit. Replicatie in andere populaties en praktische behandelrichtlijnen zijn nodig voordat een algemene aanbeveling kan worden gedaan. 

Observationele studies naar SSRI-gebruik tijdens acute COVID-19 suggereren daarnaast een mogelijk lager risico op het ontwikkelen van post-long COVID bij patiënten met depressie die SSRI’s gebruikten. Deze studies ondersteunen de biologische hypothese, maar bewijzen geen causaal preventief effect omdat confounding by indication en verschillen in zorggebruik kunnen meespelen. 

Voor de kennisbank betekent dit: fluvoxamine heeft inmiddels het sterkste klinische signaal binnen de antidepressiva voor vermindering van vermoeidheid bij post-COVID, maar gebruik blijft een medische afweging. SSRI’s kunnen passend zijn wanneer er een erkende indicatie bestaat, zoals depressie of angst. Gebruik uitsluitend voor post-COVID-klachten vraagt terughoudendheid, monitoring en shared decision-making met een behandelaar. 

QVS

Er is geen specifiek klinisch bewijs dat SSRI’s, SNRI’s of TCA’s QVS als postinfectieuze aandoening verbeteren. De Qure-studie onderzocht geen antidepressiva, maar langdurige doxycycline en cognitieve gedragstherapie (CGT). In deze gerandomiseerde studie bleek doxycycline niet effectief voor het verminderen van vermoeidheid. Voor CGT werd op korte termijn een verbetering gevonden op enkele uitkomstmaten, maar vervolgonderzoek liet zien dat deze effecten niet voor alle patiënten duurzaam waren. Daarnaast zijn de interpretatie van deze resultaten en de toepasbaarheid van CGT bij postinfectieuze aandoeningen onderwerp van wetenschappelijke discussie, onder meer vanwege methodologische beperkingen van studies en verschillen in opvattingen over relevante uitkomstmaten. De beschikbare literatuur laat vooral zien dat QVS een complexe aandoening is waarvoor ziekte-specifiek bewijs voor behandelingen noodzakelijk blijft. 

Antidepressiva kunnen bij QVS wel overwogen worden voor reguliere indicaties, zoals een comorbide depressieve stoornis, angststoornis, chronische pijn of slaapstoornis. Er is echter geen bewijs dat zij de kernsymptomen van QVS, zoals post-infectieuze vermoeidheid, PEM, cognitieve klachten of autonome klachten, klinisch relevant verminderen.  

Chronische Q-koorts  

Chronische Q-koorts is een persisterende infectie met Coxiella burnetii, vaak met endocarditis of vaat-/prothese-infecties als belangrijke manifestaties. De behandeling berust op langdurige antibiotische therapie en specialistische infectiologische/cardiologische follow-up. Antidepressiva hebben geen plaats bij de behandeling van de infectie zelf en mogen niet worden gezien als alternatief voor antibiotische behandeling of diagnostische monitoring. 

Bij patiënten met chronische Q-koorts kunnen depressieve klachten, angst, slaapstoornissen of pijn voorkomen. Antidepressiva kunnen dan volgens reguliere richtlijnen worden overwogen voor die specifieke indicaties. Daarbij is extra aandacht nodig voor polyfarmacie, QT-verlenging, interacties, cardiovasculaire comorbiditeit en bijwerkingen. Er is geen bewijs dat SSRI’s of andere antidepressiva de microbiologische controle, ontstekingsactiviteit of prognose van chronische Q-koorts verbeteren. 

Klachten na vaccinatie  

Er is geen overtuigend klinisch bewijs dat antidepressiva of SSRI’s klachten na vaccinatie (KNV) als syndroom behandelen. De beschikbare literatuur over post-COVID-19-vaccinatiesyndroom is beperkt, heterogeen en vaak observationeel. Een recente populatiestudie beschrijft overlap in mentale en lichamelijke symptomen tussen post-COVID-syndroom en klachten na COVID-19-vaccinatie, maar levert geen bewijs voor de effectiviteit van SSRI’s of andere antidepressiva als behandeling. 

Wanneer iemand na vaccinatie depressieve klachten, angst, pijn of ernstige slaapproblemen ontwikkelt, kan behandeling volgens bestaande richtlijnen voor die klachten worden overwogen. Voor KNV als post-acute immunologische of neurologische aandoening is het gebruik van antidepressiva onvoldoende onderzocht. 

Toegankelijkheid wanneer van toepassing  

Antidepressiva zijn receptplichtige geneesmiddelen. SSRI’s zoals fluvoxamine, fluoxetine, citalopram, escitalopram, sertraline en paroxetine zijn doorgaans generiek beschikbaar en relatief goedkoop. Vergoeding hangt af van indicatie, landelijk beleid, polisvoorwaarden en voorschrijver. Gebruik voor een erkende psychiatrische of pijnindicatie wordt meestal anders beoordeeld dan off-labelgebruik voor post-COVID of andere PAIS-klachten. 

Praktische toegankelijkheid wordt niet alleen bepaald door kosten, maar ook door medische begeleiding. Starten, doseren, evalueren en afbouwen vragen begeleiding door huisarts, psychiater of andere bevoegde voorschrijver. Bij post-COVID, QVS, chronische Q-koorts en KNV is voorzichtigheid nodig omdat patiënten vaak gevoelig kunnen zijn voor bijwerkingen, meerdere geneesmiddelen gebruiken of autonome/cardiovasculaire klachten hebben. Bijwerkingen kunnen onder meer misselijkheid, hoofdpijn, slapeloosheid of slaperigheid, seksuele disfunctie, gewichtsschommelingen, emotionele vervlakking, bloedingsrisico, hyponatriëmie en QT-verlenging omvatten. Abrupt stoppen kan onttrekkingsklachten veroorzaken; afbouwen dient geleidelijk en begeleid te gebeuren. 

Waarschuwing: start of stop antidepressiva niet zonder overleg met een behandelaar; bespreek interacties en bijwerkingen, vooral bij polyfarmacie en cardiovasculaire klachten. 
Bronnen en wetenschappelijk bewijs 
  • Rus, C.P., de Vries, B.E.K., de Vries, I.E.J., Nutma, I., & Kooij, J.J.S. (2023). Treatment of 95 post-Covid patients with SSRIs. Scientific Reports, 13, 18599. https://doi.org/10.1038/s41598-023-45072-9 
  • Rus, C.P. (2025). Disruptions in serotonin- and kynurenine pathway metabolism in post-COVID: biomarkers and treatment. Frontiers in Neurology, 16, 1532383. https://doi.org/10.3389/fneur.2025.1532383 
  • Reis, G., et al. (2026). The Effect of Fluvoxamine and Metformin for Fatigue in Patients With Long COVID: An Adaptive Randomized Trial. Annals of Internal Medicine, 179(5), 621–628. https://doi.org/10.7326/ANNALS-25-03959 
  • Butzin-Dozier, Z., et al. (2024). SSRI use during acute COVID-19 and risk of Long COVID among patients with depression. BMC Medicine, 22, 489. https://doi.org/10.1186/s12916-024-03655-x 
  • Gao, Z., et al. (2025). Associations of selective serotonin reuptake inhibitors and long COVID among adults with depression. Epidemiology and Psychiatric Sciences. PMID: 40996671. 
  • Hashimoto, K. (2023). Overview of the potential use of fluvoxamine for COVID-19 and long COVID. Discover Mental Health, 3, 9. https://doi.org/10.1007/s44192-023-00035-1 
  • Keijmel, S.P., et al. (2017). Effectiveness of Long-term Doxycycline Treatment and Cognitive-Behavioral Therapy on Fatigue Severity in Patients with Q Fever Fatigue Syndrome (Qure Study): A Randomized Controlled Trial. Clinical Infectious Diseases, 64(8), 998–1005. https://doi.org/10.1093/cid/cix013 
  • Raijmakers, R.P.H., et al. (2019). Long-term effect of cognitive behavioural therapy and doxycycline treatment for patients with Q fever fatigue syndrome: One-year follow-up of the Qure study. Journal of Psychosomatic Research, 116, 62–67. https://doi.org/10.1016/j.jpsychores.2018.11.011 
  • Anderson, A., et al. (2013). Diagnosis and Management of Q Fever — United States, 2013. MMWR Recommendations and Reports, 62(RR-03), 1–30. 
  • Centers for Disease Control and Prevention. (2026). Long COVID Clinical Guidance. Updated March 9, 2026. 
  • World Health Organization. (2025). Post COVID-19 condition (long COVID) fact sheet. Updated February 26, 2025. 
  • Czaplicki, A., et al. (2025). Mental symptoms in post-COVID syndrome and post-COVID-19 vaccination syndrome. Frontiers in Public Health, 13, 1623757. 
  • C-support. (2025). Selectieve serotonineheropnameremmers (SSRI’s). Kennisbanktekst, 19 november 2025.